Maffe straattaal van Sandra

De foto boven mijn blog komt van Twitter. Vriendin Irina heeft die aan mij gestuurd. Ik begrijp niet meteen waarom. Eerst denk ik dat het gaat om Georgina Verbaan. ‘Dat is een bekende Nederlandse’, lees ik in Irina’s mail. ‘Ze heeft per ongeluk met iemand Engels gepraat en snapte pas later hoe maf dat is. Maar deze reactie is nog maffer. Wat zou jij doen?’

Mijn eerste Nederlandse woorden waren pauzewoorden; dag, tot ziens, snel, boek ….. Clandestiene woorden, want niemand zag mij leren. Thuis vond ik de spelling; het leek op Engels en (soms) ook wel op Frans. Manlief heeft die woorden tijdens onze verhuizing gezien, en ook een beetje gelachen: au revoir, à plus, vite, le bouquin (NL) ….. Later leerde ik echte schoolwoorden. Niet meer in de pauze, maar samen met Irina. In de NT2-les.

Vrienden en buren zeiden dat het allemaal wel hyperbraaf was. ‘Moet je dat echt leren?’ Zij leerden Irina en mij andere woorden: baan (werk), balen (geen zin hebben), poen (geld), moven (plaats maken), er nog een nemen (nog een drankje nemen), snappen (begrijpen), aftikken (betalen) En ‘maf’. ‘Dat is vriendentaal’ zeiden ze; ‘zo praten gewone mensen.’ Mijn woordenboek meldde dan: ‘familier’ of zelfs ‘argot’. ‘Straattaal’ zegt mijn woordenboek.

Sandra maakt op Twitter niet haar eigen ‘straattaal’. Nee. Ze maakt mijn taal tot straattaal. Tot antipromo taal, tot dégage taal, en zelfs tot ta-gueule taal. Dat vindt zij vast erg stoer. Jouer à la dure heet dat. En stoere dames doen dat in hun eigen straattaal. Of zou Sandra daar dan toch weer te braaf voor zijn?

Nikaya

Tante Jeanne over Ciara

Twee uur en zevenendertig minuten. Dat is de officiële reistijd tussen mijn familie en mij. Maar dan belt tante Jeanne, en plotseling voelt het als twee weken en zevenendertig uren. Zij is bang. Voor de storm (‘we zitten hier straks zéker in het donker’), de bomen in haar straat (‘die gaan zéker vallen’) en vooral voor ook voor mijn veiligheid (‘je woont bijna op de bodem van de zee, toch?’)

Ik leg uit dat mijn huis veilig is. ‘Ja’, zegt ze; ‘Dat zeggen je oom, en Loïc en Sarah ook. Maar wat weten die daarvan?’ Ik leg uit dat Loïc wel eens in Amsterdam is geweest. Dat zijn zus Sarah foto’s heeft van ons nieuwe, solide huis en dat alles rustig is. Dat ze zelf heeft gezien dat Nederland een respectabel, ordelijk land is. ‘Ga slapen’ adviseer ik haar: ‘Dan bel ik je morgen. Dan vertel ik je alles.’ Manlief begrijpt al die paniek niet helemaal. ‘Je oom Alexandre is toch een slimme man? En Loïc is toch ook niet dom?’ Hij heeft gelijk.

Ik lees op mijn telefoon de krant van tante Jeanne: de elektriciteit is uitgevallen, bomen zijn ontworteld, ‘big bags’ moeten mensen tegen het gevaarlijke water beschermen. Maar Sarah zegt dat tante Jeanne goed heeft geslapen. ‘En jij?’ vraagt ze. Ik ook. Mijn voeten zijn droog.

Ik vertrek op tijd voor een afspraak in het centrum want het waait hard. Misschien zijn er bomen op de weg, of rijdt de bus niet. Maar de bus rijdt gewoon en alle bomen staan rechtop. Alleen een paar verkeersborden en fietsen liggen op de stoep. Ik zie een paar takken en vraag hoe dat kan. ‘De rest is gelukkig al opgeruimd’, hoor ik. ‘Net op tijd!’ Zie je wel, tante Jeanne? Dat is nou ordelijk. Dat is nou Nederland.

Nikaya

Grote Groente 6: Expert Elisabeth

Lieve woorden maken mij blij. Daarom vandaag een blog over de liefste Grote Groente van heel Holland. Ze noemt zich Els maar ze heet eigenlijk Elisabeth en ze is expert (kunsthistorica). Ze geeft les in het Engels. Want dat moet.

Van wie? Van de manager van de school en van de slimme studenten. Die willen studeren in het land van Dutch Design, maar zonder Dutch Grammatica. Wel verf, geen verbes. Kan dat?

Ja. Want Els maakt briefjes met moeilijke worden die ze steeds vergeet. ‘Spiekbriefjes’ zegt ze. Dat zoek ik op en vind antisèche. Euh … ? Ik lees nog een keer, maar echt: lieve expert Els spiekt (triche). Waarom?

Omdat haar klas lief is? De klas lacht hard als Els niet goed spiekt en ‘rustruimte’ vertaalt als ‘restroom’ (toiletten). Dat is niet lief. Ik denk aan mijn docenten. Aan de universiteit: ze waren meneer en Mevrouw X. En ze waren experts. Niet lief maar wel heel respectabel.

Later, in Nederland, bleef ik me verbazen over je en jij (in de klas en in het boek). Over mijn sympathieke docenten. Ik lees deze laatste maanden vaak in de krant dat docenten hier Respect willen; van de klas, van de ouders en van de minister. Ze hebben gelijk.

Lieve mevrouw Elisabeth, u wilt natuurlijk ook respect. Omdat ik dat begrijp geef ik u als dat mag een paar adviezen: maak uzelf tot Koningin Elisabeth in uw klas. Stop met bang zijn voor uw studenten; zij zijn misschien slim, maar zeker ook arrogant. Dat woord is Nederlands, Frans en Engels, dus uw manager is ook blij. Stop – als u dat kunt – meteen ook met spieken. Laat uw klas briefjes maken met woorden. Geen spiekbriefjes maar werkbriefjes met werkwoorden. Succes!

Nikaya

Lieve woordjes; netjes, Nederlands

Ik lees vandaag veel lieve dingen van een Nederlandse dame. Zij schrijft ook verhalen. Meestal over thuis, over Amsterdam, familie, gemeente en meer. Ik vind dat fijn, dus ik reageer. Zo praten wij via het toetsenbord.

Mevrouw Riet vraagt hoe ik Nederlands leer. Ze zegt dat ze zelf soms niet goed schrijft, dat het lastig kan zijn. Dat vindt manlief een leuke vraag. ‘Durf je te antwoorden?’ Ja, natuurlijk durf ik dat: de liefde. En taalkunde.

Taalkunde is mijn beroep: les geven ook. Aan veel mensen uit veel landen. Ook uit Nederland; hij heette Ruud en at Flamische aux maroiles en Tarte Flambée in het centrum. Ook knappe mannen doen dat. Love Story à la Lilloise, met veel lieve woordjes. Steeds vaker Nederlandse woordjes ook: ‘leuk’ (lachend gezicht op servetje), ‘bellen’ (telefoongebaar met vingers),‘snel’ (‘FGV – français à Grande Vitesse’). Na de cursus werd het moeilijker; in mijn kleine boekje las ik alleen woorden en korte zinnen: ‘Ik ben moe’, en ‘Ik ben 24 jaar (oud)’. Woorden konden – attentie – ook ‘neutraal’ zijn (het gesprek), en ‘wie’ klinkt als ‘oui’, maar betekent ‘qui’. Maar (weer attentie) alléén als je over mensen spreekt. ‘Wie’ is anders dan ‘wat’, leer ik. En ‘wat’ is anders dan ‘dat’. Gelukkig is complex een internationaal woord dat de hele klas begrijpt.

Manlief ziet dat ik dit schrijf. ‘Klopt’ zegt hij. Via Engeland kwamen we naar Nederland. Ik bleef werken (vertalen). Dat ik Engels spreek is een voordeel. ‘Maar leer ook écht Nederlands’ zeiden opdrachtgevers: ‘er is hier een universiteit. Veel succes!’ In 2017 haalde ik mijn Staatsexamen Programma II. Zelfs ‘schrijven’ in één keer. ‘Ja’ zegt mijn Ruud: ‘maar voordeel spel je wel met twee keer ee en twee keer oo.’ Maar ‘er’ staat goed. ‘Netjes, Nederlands. Leuk’. Alles komt goed.

Nikaya

Charlie, Charlot & Charlotte

Misschien is de oorzaak wel haar Franse voornaam, of de herinnering aan Charlie (Hebdo). Of toch opa Charles? Charles was zijn officiële naam. Maar die gebruikten wij natuurlijk niet. Wij zeiden gewoon opa ‘Charlot’. Dat is een lieve, verkleinende vorm.

Ik weet het niet. Maar Charlotte logeert al dagen in mijn hoofd. Charlotte wil dood, maar leeft. En de mensen van ‘Charlie’ … die wilden leven en moesten dood voor een ‘hoger doel’ dan geen mens begreep. Overlevenden schreven later dat ‘alles vergeven’ was. ‘Tout est pardonné’. Dat heet ironie.

Opa Charlot was bijna honderd jaar oud. Hij wilde dood en stierf in 1993. Zijn erfenis is zijn ‘Irironie’. Daar zit het Franse woord voor lachen in. Dat maakte het ook een vrolijk woord. Dat opa het zelf had bedacht begreep ik pas later, toen ik oud genoeg was om opa’s levensloop en levensdoel te begrijpen: leven voor zijn overleden vader en oudere broer. Slachtoffers van het hoge doel dat wereldoorlog heet.

Misschien begrijp ik de jonge, slimme vrouw in de hal van dat ministerie later ook. Als ik oud, eenzaam, ziek en moe ben. Niemand meer heb en niet meer kan lachen om het leven. Niet meer mild kan zijn over Charlotte; een vrouw die veel heeft om voor te leven, maar dat niet meer ziet.

Gisteren liep ik door een druk station, langs mensen die daar zaten. Of ze allemaal Charlotte zijn weet ik natuurlijk niet. Maar stiekem hoopte ik dat er een opa Charlot is. Een lieve opa die naast Charlotte gaat zitten met een kopje dampende koffie. Die niets vraagt en zonder iets te zeggen een smiley tekent op een leeg koffiebekertje en daaronder schrijft ‘ Heb je al gelachen? Pourquoi pas?’

Maar als die lach teveel gevraagd is mag het van opa Charlot ook een kleine glimlach zijn.

Nikaya

Me Revoilà: Stampen met Ma-chiel

Ons nieuwe huis is bijna af. We ruiken nog de verf en wennen aan nieuwe geluiden en nieuwe bovenburen. Die van nummer 40 heten Désirée en John Pierson. En ja, ze zijn nieuwsgierig: ‘dus je hebt echt les gehad?’ (Ja.) ‘Is dat dan niet lastig?’ (Ja, maar mijn man heeft veel geholpen.) ‘Goh, je hebt wel een heel bijzondere voornaam.’ (Ik deel mijn naam met Nice, de stad waar ik geboren ben*.) Hier redde manlief mij door te vragen of ze daar wel eens geweest waren …

Er valt een stilte. De stilte die ik goed ken, en die heel vaak verbroken wordt met ‘Nee, om eerlijk te zijn is Frankrijk niet helemaal ons land…’ En excuses.

Maar op deze zaterdag loopt het anders. Ongeveer zo: nee, Nice is onbekend ‘maar vast wel mooi’. En ja, ‘de taal’ is inderdaad een dingetje …. En dan komt het: ‘Dingetje? Dingetje? Nou, zeg maar gerust hopeloze k ..taal!’ De Piersons zwijgen en kijken naar zoon Machiel. ‘Dit is Ma-giel’ zegt Désirée. Manlief fluistert: ‘oeps, geen fan’.

Toch zit ik een paar weken later met ‘Ma-giel’ aan onze eigen tafel. We leren samen woordjes om zijn ouders en zijn docent een plezier te doen. Het is een noodsprong. Ik hoop dat hij de toets haalt en herken dat gevoel: schrijven, kijken, twijfelen. Zonder einde. Over van alles. Machiel spelt zijn naam en ik mijn taal: la bouche (mond), penser (denken), presque (bijna), apprendre (leren)…. Machiel noemt wat we doen ‘stampen’. Ik leer hem ‘potasser’. Geen echt standaard werkwoord, maar wel keurig regelmatig. Om zijn docent een plezier te doen.

Nikaya

* Ik ben daar geboren, maar niet opgegroeid. Waarom mijn grootvader deze naam heeft gekozen zal ik wel apart uitleggen.

Uitburgeren 12 : Lars & Marjolein: Groot en Klein

Vorige week schreef ik dat Nederlanders houden van crisis. ‘Dan komen ze in actie’, schreef ik. Een paar dagen later leerde iemand mij een speciaal woord: ‘klimatig’. Dat ben je als je het Klimaat niet met een hoofdletter schrijft, maar wel kleine dingen doet om onze aarde en lucht toch een beetje schoon te maken. Zo zijn véél mensen. En ja, ik ook.

Lars en Marjolein niet. Lars is met zijn twaalf jaar klein, maar hij maakt zich groot. Hij praat met Grote Gelderse Groente over ons Klimaat. En als kleine, slimme, dappere jongens (zonder geel hesje) grote woorden gebruiken luisteren slimme Nederlandse bestuurders. Marjolein Faber luisterde ook. Dat leek me slim.

Maar toen zei ze dat Lars werd ‘misbruikt’ door een ‘lobby’. Van een vriendin hoorde ik dat misbruik een groot woord is. Dat het vaak gaat om ‘macht’, ‘geld’ en ‘seks’. Dat er dan slachtoffers zijn, en daders. Dat er ‘leed’ is. En ‘straf’. Maar Grote Marjolein zei dat ze het zo niet had bedoeld. Dat ze vindt dat zijn ouders (‘daders’) niet klimatig genoeg zijn.

Mijn vriendin legde uit dat ‘lobby’ een klein woord is voor mensen die onzichtbaar zijn, maar die wel grote macht hebben: directeuren van multinationals, mensen met veel macht en geld die praten met politici als Marjolein. Die komen dan vaak in actie om de lobby (het geld, de macht) te helpen. Toen begreep ik het beter: Marjolein maakt zich klein voor het grote geld. En kleine Lars? Die is ‘dwars’. Dat is het tegenovergestelde van matig. Gelukkig.

Nikaya

Aller-Retour (met de trein)

Eindelijk terug! Terug in Nederland en ook weer hier. Ik schrik en zoek en zie weer (nieuwe) woorden: flextariër (is dat een terriër?) Pfas (is dat aardgas?) En vuurwerkverbod. Dat heeft te maken met Klimaat. Het woord is niet nieuw, maar de hoofdletter wel. Net als klimaat ‘spijbelaar’, klimaat ‘verandering’ en klimaat ‘crisis’. Dat laatste, daar moest ik een beetje om glimlachen. Dat is Nederland.

Want Nederlanders houden van ‘crisis’. Als ze dat horen denken ze na, komen ze in actie. En dus in de krant; politici, scholieren, economen, cabaretiers, bedrijven en veel mensen die ik niet ken. En mensen die dat (nog) niet willen of kunnen. Die weten nog niet wat ze (gaan) doen: een ‘eetwissel’ of toch de ‘treintrots’ als remedie tegen de ‘vliegschaamte’ uit het land van Greta?

Verwacht van mij nog even geen antwoorden; ik werk in en aan mijn huis; nieuwe kleuren (op waterbasis), nieuwe buren (‘staken jouw vrienden ook?) en nieuwe plannen (mijn oude baan is weg en een deel van mijn oude gezondheid ook). Maar mijn nieuwe pc werkt wel & snel. En glimlacht.

Nikaya

Uitburgeren 11: Vrijheid & Blijheid

Het strand en het water. Dit was de plaats waar mijn familie en ik ons deze zomer vrij voelden. Met de voeten in het water, de helderblauwe lucht en vogels boven hun (en mijn) hoofden… Zoveel vrijheid, dat is vakantie, dat is zomer in de Lage Landen.

Met een handdoekje op het strand, of met natte voeten door het zand. Kijken naar andere mensen die ook doen wat ze willen: ijs eten, drinken op een terras en lachen, roepen en praten. Dan foto’s maken. De hele dag langzaam leven onder de zon. Dat deden wij ook. Want het is ook zomer aan zee.

En toen maakte ik deze foto. Hij blijkt een beetje scheef, maar ook heel erg Nederlands. Dat komt door dat bord met de rode rand. Het bord dat mij ineens verbaast en mij zegt: ‘iets’ mag niet.

Vrijheid

Niet zwemmen? Niet lachen? Niet de vogel voeren?

De vogel boven het bord zoekt zijn eigen voer wel, denk ik. Ik weet niet of vogels ook lachen en inburgeren, maar van binnen moet ik wel lachen. Want de vogel mag alles. Hij heeft altijd vakantie… Ik druk de foto af en hang hem boven mijn bureau. Voor als ik even vakantie nodig heb.

Nikaya

Sous Mon Soleil 5 : Bed & Bijt (Woorden)

Nu Loïc weer in zijn eigen bed slaapt kom ik toe aan mijn eigen – al weer bijna vergeten – vakantieschok: mijn nacht in een bed & ontbijtplek in het fraaie Oosten. De plek waar het volgens vrienden goed leven is, en waar ik zeker een ander Holland leer kennen.

Welkom zijn we zeker, maar slapen in hun nieuwe half-af-huis blijkt nog even lastig, dus dat doen we in de ‘bie & bie’ van buren die van gastheer & -vrouw zijn een tweede beroep hebben gemaakt. Als goede gasten betalen we ook de standaardprijs. Maar dan wordt manlief midden in de nacht ziek.

Zo ziek dat er opruimwerk aan te pas moet komen. Dat is niet standaard, niet geluidloos en ook niet gewenst, zo blijkt de volgende ochtend. Gastvrouw Nora blijkt heel boos, en dan vooral op mij. Want door mij vinden anderen de ‘bie ‘n bie’ van Nora misschien niet meer leuk.

Manlief staat bleekjes naast boze Nora. ‘Niet leuk’ echoën zijn ogen terwijl Nora absurdistisch verklaart dat ik me ‘aan Nederlandse omgangsvormen’ moet houden. Haar scrambled eggs koelen af terwijl ze hamert op ‘onze regels’. Hollandse regels, heldere regels, heilige regels….

Onze vrienden maken roerei voor ons. Warm en troostend. We rijden al op het moment dat ik een foto maak. Speciaal voor Nora.

Nikaya